HET ARCHITECTENBEROEP IN CRISIS
MEERVOUDIG PLEIDOOI VOOR PROFESSIONELE SOLIDARITEIT
De afgelopen weken/maanden verschenen er vele posts over het gebrek aan bescherming van ons beroep als architect, van de afwezigheid van correct vergoede (wedstrijd)procedures tot de chaos bij de Orde. Bij deze deel ik graag enkele persoonlijke bedenkingen in briefvorm over de crisis waar we ons met zijn allen in bevinden. Niet in het minst wil ik graag in het bijzonder Glenn Lyppens (en daarbij ook vele anderen) bedanken voor zijn strijdkracht en bijtreden in zijn pleidooi. Ik verwijs daarvoor naar zijn eerdere artikels te vinden op zijn profiel.
"
Beste Glenn,
(We hebben elkaar nog nooit ontmoet maar toch denk ik dat we maar es een pint moeten gaan drinken.)
Ik reageer even via mijn eigen profiel, omdat mijn antwoord op jouw post te lang zou zijn, maar ook omdat we samen misschien meer bereik hebben. Ik ben blij dat je het onderwerp opnieuw aankaart. We moeten inderdaad blijven hameren op dezelfde nagel. Het is een thema dat me al lang nauw aan het hart ligt, zeker omdat we zelf al jaren actief zijn in de kleine wereld van de architectuur, en dus met enige afstand kunnen terugblikken.
Ik ben het volmondig met je eens dat de grootste verantwoordelijkheid bij de overheid ligt: projectprocessen moeten professioneel georganiseerd worden en daar hoort ook een correcte vergoeding bij. Hoogwaardige Baukultur (zoals omschreven in Davos 2019–2025) begint bij goed opdrachtgeverschap. Daar is nog veel werk aan de winkel — op álle niveaus.
Dat overheden de studiekost van wedstrijden vaak voorstellen als een financieel struikelblok, is echt onzin. Het ereloon van het ontwerpteam is vaak slechts een cijfer achter de komma in de totale projectkost. En dat geldt net zo goed voor projecten van ontwikkelaars, waar de erelonen onder druk staan of bewust worden uitgehold. Onterecht dus. Of zoals Leo Van Broeck het vaak zei (zegt): "If you pay peanuts, you get monkeys."
Dat gezegd zijnde…
Na meer dan twintig jaar ervaring stel ik vast dat een ander deel van het probleem ook bij onszelf ligt — bij architecten. Meer bepaald bij het diepgewortelde streven naar persoonlijke erkenning of roem. Dat geldt uiteraard niet voor iedereen (en als ik die indruk wek, wil ik me daar graag voor verontschuldigen). Maar het ego zit ons vaker in de weg dan dat het ons helpt.
Zelf was ik daar vroeger wellicht ook niet immuun voor — gevoed door een cultuur waarin sinds de jaren ’90 in Vlaanderen het idee leeft dat architectuur draait om een unieke signatuur. Met de opkomst van een reeks iconische bureaus als gevolg (waarvoor ik overigens veel respect heb).
Voor veel (jonge) architecten lijkt de ultieme carrière nog steeds te starten met kleine verbouwingen en te eindigen met een fin-de-carrière tentoonstelling (liefst in de Singel). Met wat geluk — en geluk speelt wél degelijk een rol (denk aan financiële onafhankelijkheid, achtergrond, netwerk) — krijg je onderweg via de FIAA en de Open Oproep procedure de kans om mee te dingen in wat voelt als de Champions League van de Vlaamse architectuur.
Het spreekt voor zich dat het grootste deel van de Architectuurcultuur in Vlaanderen van de laatste twintig jaar (en meer) schatplichtig is aan het harde werk van alle mensen die daaraan hebben toe bijgedragen, niet in het minst onze Bouwmeesters zelf. Wijzelf hebben vooral concrete dank te uiten aan de laatste twee, Leo Van Broeck en Erik Wieërs . Daarnaast heeft het vele werk van stadsbouwmeesters Kristiaan Borret (Brussel) , BMA - Bouwmeester Maitre Architecte en Peter Vandenabeele (Gent) grenzen verlegd. Zij creëren dagelijks kansen voor kwaliteitsvolle architectuur in onze steden en effenen daarbij ook het pad vrij voor ons, de ontwerpers.
Als je dan als (klein) bureau mag deelnemen aan zo’n procedure en na jaren zwoegen voor de jury mag verschijnen, is dit terecht een eer. Maar wat doet een spits wanneer hij eindelijk mag meespelen? Hij toont álles wat hij in huis heeft, ook als dat betekent dat hij over de tenen van zijn collega’s loopt.
Architecten werken elkaar soms tegen uit drang naar profilering. Dat streven naar een eigen ‘signatuur’ wordt zo een ander woord voor ego. Daarover spreekt niemand. We moeten ook in eigen boezem durven kijken. Architecten zijn nog te weinig bedrijfsleider, wat in deze complexe bouwtijden wel degelijk nodig is.
Zoniet leidt dat tot oneerlijke concurrentie:
Inschrijven met onrealistisch lage erelonen ("er is altijd wel iemand die het voor minder doet"),
Of ver gaan in het aanleveren van overdreven uitgewerkt materiaal, wat de wedstrijd vertekent en op lange termijn tot verkeerde verwachtingen bij opdrachtgevers leidt.
We hebben doorheen de jaren de kans gekregen meerdere Open Oproepen mee te doen — soms gewonnen, soms niet — en kwamen (vooral de laatste jaren) vaak tot dezelfde vaststellingen:
Bij een opdracht voor een stedenbouwkundig masterplan kwam het winnende team met een extra, wit konijn: een volledig architectuurontwerp voor een nieuwe bibliotheek (10.000 m²), inclusief technische doorsneden en uitgewerkte renders tot op meubilairniveau. Volledig buiten de vraag van opdracht, maar desalniettemin gesmaakt door de opdrachtgever.
Bij een opdracht voor de herbouw van sociale huisvesting kwam het winnend team naar de presentatie met een bataljon extra experten (die in deze fase duidelijk niet gevraagd worden) die technische geveldetails hadden uitgewerkt tot op uitvoeringsniveau. Hier bovenop een tiental renders op detailniveau, inclusief ontwerp van straatmeubilair. Enkele Nederlandse collega’s kwamen als eerste presenteren die dag en hadden de geest van de OO gerespecteerd: ze kwamen met een concept – niet volledig uitgewerkt- en steunden op eigen referenties om de kwaliteit voor het verdere proces te garanderen. Het contrast die dag was ongelooflijk treffend, maar o zo pijnlijk.
Ook bij onze meest recente OO zagen we de bui hangen en werden we bevestigd. Achteraf hoorden we van de betreffende collega’s: "Het is moeilijk om niet all the way te gaan, hè." En dus deden ze het.
We stonden erbij en keken ernaar. Een ongelijke strijd.
Ik besef dat het team van de Vlaams Bouwmeester al veel inspanningen levert binnen de Open Oproep om die grens te bewaken, maar op het terrein wordt het spel vaak anders gespeeld en te weinig ingegrepen. We hebben duidelijk nood aan een scheidsrechter.
Als dit niet structureel verandert, hebben wij alvast beslist het strijdtoneel te verlaten, want zo willen we niet meer werken. Zo maken we ons beroep ook zelf kapot. En dat kunnen we makkelijk oplossen, door er vandaag (niet morgen) mee te stoppen.
En laat ons eerlijk zijn: deze dynamiek, waarin je jezelf moet overschreeuwen, dient niemand. Het idee dat je carrière pas geslaagd is als je op het einde een speech mag geven bij je eigen retrospectieve tentoonstelling… het is begrijpelijk, maar het doet ons beroep geen eer aan.
We mogen niet vergeten dat we in de eerste plaats een dienstverlenend beroep zijn, in functie van de samenleving. Samen werken aan een betere toekomst: een betere stad, een beter dorp, een betere straat. Veel van de monumenten die we nu bewonderen, werden gebouwd door anonieme architecten. Mensen die hun werk met zorg en liefde deden, achter de schermen, zonder drang naar persoonlijke lauwerkransen.
Mijn pleidooi is daarom meervoudig:
Meer (stads- en dorps)bouwmeesters. Beter opdrachtgeverschap. Eerlijke vergoedingen. Betere wedstrijdvergoedingen. Maar ook meer collegialiteit.
TWEE OPEN OPROEPEN:
Een eerste oproep aan overheden/opdrachtgevers: Maak sowieso tweetraps procedures met duidelijk gelimiteerde deliverables, zoals in sommige ontwerppoules al gebeurt. Leg precies vast wat verwacht wordt, en handhaaf die grens. Valsspelers worden uitgesloten. Zeg als opdrachtgever duidelijk wat je wél verwacht: bv. inplantingsplan, plannen op 1/200, twee doorsneden, één gevelconcept met referentiebeelden, één conceptvisual etc. Afhankelijk van de opdracht kunnen deze uiteraard variëren. Het vraagt wat denkwerk, maar niet zoveel meer. De kracht van een ontwerp zou te vatten moeten zijn op een bierkaartje (of twee).
Een tweede oproep aan collega’s: We moeten elkaar als architecten meer ondersteunen door correct te zijn op het speelveld. Door elkaar te respecteren als bondgenoten in plaats van concurrenten. Door ons beroep te herwaarderen als dienst aan de maatschappij, waarin de kracht van ontwerp échte verandering kan brengen. (Momentum by Design).
We zijn een broeihaard van uitzonderlijk talent — ontwerpers die werkelijk de wereld mee vorm kunnen geven. Maar we maken elkaar kapot. En dat hoeft niet. Ik wil blijven geloven dat het anders kan.
Naast de noodzakelijke structurele veranderingen met betrekking tot erelonen, vergoedingen, procedures en Ordes, moeten we onszelf ook durven in de spiegel kijken. Alleen door op alle vlakken bij te sturen, komen we er samen uit. Iedereen heeft hetzelfde doel: een betere wereld voor morgen.
Of zoals Glenn Lyppens al zei: aan het werk!
"
Vanop het strijdveld,
David D